COLUMN hART VI: Jeder Kuenstler ist ein Mensch

En opeens waren we kunstenaars. Niet het meest voor de hand liggende beroep, met allerhande haken en ogen zoals een chronische onzekerheid op het gebied van geld, ruimte en artistieke kwaliteiten, maar wel een beroep waarin absolute, totale en compromisloze vrijheid bestaat. Bij navraag blijken de meeste kunstenaars niet uit een artistiek nest te komen. Wij hebben ouders met een regulier beroep. Vaak komen we uit de hogere middenklasse. Onze ouders hadden wat geld en wilden ons gelukkig zien. Als dat betekende, dat we liever voor een opleiding kozen, die niet direct van commercieel nut leek, dan mochten we daar naartoe. Misschien omdat onze ouders zelf die keuze niet konden maken. Misschien omdat in de jaren ’70 en ’80, waarin wij opgroeiden, de economie van onze landen zoveel sterker werd. We zouden toch allemaal rijk worden. En dat is ook zo, we staan niet berooid op straat, we kunnen nog naar de Delhaize voor onze boodschappen en hoewel we soms het niet meer zien zitten, mogen we eigenlijk niet klagen. We hebben ook altijd onze ouders nog, om op terug te vallen. Zo blijven we eeuwig pubers en dat lijkt precies te zijn wat we willen. We zijn tenslotte geen kunstenaars geworden om ‘gewoon’ en ‘volwassen’ te worden. Wij willen niemand ons laten vertellen dat we elke dag van negen tot vijf moeten werken, al moeten velen van ons dit een paar dagen in de week zich laten welgevallen. Wij zijn tussen de 25 en 40 jaar en nog nooit getrouwd, hebben geen kinderen, kunnen op dinsdagavond op café gaan zitten en werken door tot diep in de nacht. We geven feestjes, we luisteren muziek, we lezen boeken. Alles wat er aan informatie binnenkomt, wordt verwerkt tot kunst. We willen nooit ouder worden. Wij koesteren onze illusies, hoop en dromen. Wij katapulteren onszelf zo nu en dan met 350 kilometer per uur tegen betonnen muren op.

Onze leraren op de academie zeiden het al tegen ons: er zit niemand op jullie te wachten. Veel van onze voormalige medestudenten haakten al af; het wilde niet lukken met het werk of met het doorkrijgen van de ongeschreven regels en wetten van de kunstwereld. Ze konden niet tegen de relatieve eenzaamheid van het maken. De onzekerheden. Ze hadden andere prioriteiten: een vaste baan, een relatie, kinderen. Allemaal belangrijke dingen, maar wij stellen die uit. Daar zijn we heel goed in. Als er een jaar weinig gebeurt op het gebied van tentoonstellingen, belangstelling voor ons werk of er twijfel is over ons eigen kunnen, steken we de kop in het zand en ploegen we twee keer zo hard door. We proberen zo min mogelijk ons eigen nut voor de samenleving en cultuur in het algemeen af te vragen, omdat het antwoord zo ingewikkeld is.

We worden regelmatig door mensen gezien als een stel parasieten, levend van subsidies, gemeenschapsgeld, rondhangend in luilekkerland. Voor de grotere culturele instanties zijn we vaak een wegwerpproduct. Vervangbaar en voor elk concept inzetbaar, het liefst onbetaald en dankbaar.

Naast alle betaalde jobs, die we moeten nemen om te overleven, willen we bijna elke dag een nieuwe tekening maken, of iets schrijven. Of een dossier samenstellen, een website leren maken, een tentoonstelling zien. Ter ontspanning gaan we naar openingen van medekunstenaars, want dan komen we nog onder de mensen en kunnen we zien wat er gaande is. Als hobby stellen we magazines samen, verzamelen we interessante ideeën, lezen we boeken, kijken we films, zijn we DJ’s. Zodra de mogelijkheid zich voordoet, vertrekken we spoorslags naar het buitenland – voor een artist in residency, een speciaal project of voor altijd.

We hebben het druk. Onze bazen eisen dat we ons bed uitkomen om hard aan het werk te gaan, ook al moeten we soms doorgaan tot twee, drie of vier uur ’s nachts. Onze bazen willen dat we in het weekend doorwerken. Onze bazen laten ons zelden met rust, want ze willen resultaten zien.

Wij zijn hele strenge bazen. Volgens de arbeidswetgeving zou het eigenlijk zo niet mogen.

Februari 2008