COLUMN hART IIXX: VIBES

    Kunstenaars kunnen misschien niet zo goed vergaderen, ze zijn meesters in het al improviserend opzetten van tentoonstellingen. Het enige wat een kunstenaarsgroep nodig heeft, is een pand met electriciteit en daarna begint het balletje vanzelf wel te rollen. In 2006 werd nog door meer dan zeventig kunstenaars meegewerkt aan de grote groepstentoonstelling ‘Extra sic’, die een viering (en de afsluiting) was van het 10-jarig bestaan van de bescheiden onafhankelijke tentoonstellingsruimte Factor 44. De hal werd voorheen gebruikt door de gesubsidiëerde kunstinstelling ExtraCity, dat er een aantal ambitieuze tentoonstellingen heeft gehouden. Nochtans vond een groot deel van de naar schatting ongeveer 1400 mensen die ‘Extra sic’ bezochten in het enige weekend dat het bestond, deze tentoonstelling de beste die ze hadden gezien in die ruimte.

    Het begon met het ter beschikking krijgen van het gebouw, ongeveer anderhalve maand voordat ‘Extra sic’ zou openen. Er was geen budget. De tentoonstelling zou niet gecureerd worden, alle gevraagde kunstenaars konden zelf beslissen wat ze wilden tonen maar omdat de ruimte niet geschikt was voor het droogjes ophangen van schilderijen, foto’s of tekeningen, werden voornamelijk kunstenaars benaderd die installaties, performances, videowerk of beelden maken.

    Op de eerste bijeenkomst in de ruimte waren zo’n twaalf mensen aanwezig, die zich vertwijfeld afvroegen hoe in vredesnaam deze gigantische hal gevuld zou kunnen worden. Binnen een paar weken gonsde het plan voor de tentoonstelling rond en groeide de lijst vanzelf aan tot meer dan zeventig namen. Er moesten op een gegeven moment zelfs mensen worden geweigerd.

    Een week voordat de opening van ‘Extra sic’ zou plaatsvinden, was de betonnen hal, zo groot als een half voetbalveld, nog helemaal leeg. Een deel van de deelnemende kunstenaars heeft dagenlang in deze ijskast aan nieuwe werken gebouwd, vaak tussen hun gewone jobs door. Toen uiteindelijk, nog geen uur voordat de tentoonstelling werd geopend, alle lampen op de goede plaats hingen en de laatste rondslingerende rommel was opgeruimd, viel ineens alles op zijn plaats. Ondanks de kou – een goede kachel kon helaas niet geregeld worden – waren er binnen korte tijd vele honderden bezoekers binnen, waarvan een groot deel tot laat in de nacht bleef, doordat een dansvloer het publiek warm hield.

    ‘Extra sic’ was niet een tentoonstelling, waarvan alle werken voorzichtig en theoretisch verantwoord met elkaar waren uitgebalanceerd, maar het plezier van het maken en meedoen, in combinatie met de soms monumentale ingrepen en de rake intuïtieve keuzes van alle kunstenaars met betrekking tot de ruimte en elkaars werk, straalde aan alle kanten er zo energiek vanaf, dat het evenement als geheel naar een niveau werd getrokken waar exposities in de officiële circuits zelden of nooit aan raken.

    Ik heb het ontstaan van ‘Extra sic’ van dichtbij meegemaakt en als je ziet waartoe kunstenaars in staat zijn als bijna onuitgesproken alle neuzen dezelfde kant opwijzen, dan is het heel moeilijk te begrijpen waarom museale instellingen zo’n bureaucratische machinerie nodig lijken te hebben om hun programma moeizaam draaiende te houden.

    Onlangs werd er op een veel kleinere schaal met een soortgelijk enthousiast  optimistisme een tentoonstelling gehouden in Antwerpen. Dit maal in een galerietje met daarin werken van 47 kunstenaars. ‘Victim Design’ heette het. Bijna zou ‘Victim Design’ doorstomen tot in het MuHKA, wat als volstrekt autonoom, curatorloos en alleen vanuit vibes opererend gegeven een fantastische ingreep had kunnen zijn. Helaas liep het plan vast, het raakte onmiddellijk onwrikbaar verzonken in het moeras dat een logge museale instelling kan zijn.

    Het treurigste is nog wel, dat het project waaraan ‘Victim Design’ in het museum zou deelnemen een viering zou zijn van de door de Franse Fluxus kunstenaar Robert Filliou in het leven geroepen ‘Verjaardag van de kunst’.


Verschenen in hART #46, januari 2009

http://blogimages.bloggen.be/victimdesign/93243-27b24becd3f5e32f7371bf10141dd863.jpg





http://blogimages.bloggen.be/victimdesign/91029-0bfd0114b9bb5534a88dece1a201a012.jpg


Lees meer >>

COLUMN hART XVIII: PARTNER IN CRIME

Ik werk graag samen met mijn computer. Mijn computer is een verlengstuk van mijzelf, mijn externe harde schijf, mijn halve leven, een deel van mijzelf. Soms kan ik het ding wel het raam uitsmijten, als ik het idee krijg dat het mij met opzet tegenwerkt of als het alle energie uit me lijkt te draineren. Ik vergeet wel eens, dat de computer een levenloos object is zonder menselijke emoties, maar animisme – want zo heet dat, het toekennen van een ‘ziel’ aan in principe dode materie – is mij niet vreemd. En u ook niet, want u zult moeten toegeven dat u in een slechte bui ook wel eens boos bent geworden op bijvoorbeeld de deur van een keukenkastje, waar u uw hoofd tegen stootte, omdat u het keukenkastje ineens ervan verdacht dat het expres tegen uw hoofd sloeg enkel en alleen om u te pesten.

Nu wil het geval, dat onlangs mijn partner in crime me is ontvallen. In januari zou deze vijfentwintig jaar oud zijn geworden en zolang kende ik haar ook. Ze is een week geleden overleden, in Den Haag, recht voor een tentoonstellingsruimte. U zou het misschien een wrak op wielen hebben genoemd, maar voor mij was mijn peugeotje 205, want daar draait het om, een van de belangrijkste samenwerkingsverbanden, die ik ooit ben aangegaan met betrekking tot mijn kunstenaarsschap. Het wagentje, de kleur was beige-antilope met een zelfgepimpte rode streep aan de zijkanten, fungeerde niet alleen als vervoermiddel voor tekeningen of installaties – er kon twee keer zoveel in, als men zo op het eerste gezicht zou inschatten en dan heb ik het nog niet over wat er allemaal ook nog op het dak kon – maar ook bij tijden als extra stockage, als miniatuur tentoonstellingsruimte, als een middel om op goede ideeën te komen, als vluchtwagen wanneer ik de stad moe was en als vergaderzaaltje, als ik passagiers bij me had.

Ik herinner me nog de avond, dat ik met mijn moeder de wagen ophaalde, die toen nog bijna spiksplinternieuw was en ook nog zo rook. Ik zat achterin, want ik was tien jaar oud. Het was mijn eerste rit in het autootje. Op de laatste rit rook ze naar benzine, maar dat deed ze al een tijdje. Ze startte altijd, ook al was het soms niet bij de eerste poging. Ze had moeite met schakelen, een typisch peugeotkwaaltje. Ze wilde niet altijd meteen in haar achteruit, dan moest ik eerst haar in een versnelling zetten en het daarna nog eens proberen. De lak bladderde van de achterdeur, er zaten roestplekjes over haar hele metalen lichaam verspreid, als sproetjes. Van de achterruitverwarming deed nog maar één draad het. De radio was al jaren kapot, net als de kilometerstandteller. Die was vijf jaar geleden blijven steken op 182.072 kilometer. Ik reed op de snelweg standaard honderd-dertig. Als ze wat te zwaar was geladen, schraapte bij het optrekken de uitlaat tegen de wielas. Ik ben één keer met haar gebotst. Ik was artist-in-resident ergens op het Noord-Nederlandse platteland, waar ik zó geconcentreerd met mijn werk bezig was geweest, dat ik haar stomweg in de deur van een andere 205 parkeerde. Mijn peugeotje had een kapotte koplamp, de andere werd door de verzekering total loss verklaard.

Bij haar laatste keuring, in januari van dit jaar, had mijn garagist me verbijsterd opgebeld, dat ze er weer door was gekomen. Een paar dagen geleden werd het peugeotje bij hem afgeleverd door een transport van de ‘gestrande wagens-dienst’. Er was iets afgebroken, doorgeroest. Hij kon hem in theorie proberen te maken, maar daarvoor moest hij haar uit elkaar halen, waarbij hij bang was dat er nog meer zou afbreken en dus adviseerde hij de stekker er uit te trekken.

Ze staat nu op het terrein van de garage. Ik ga haar naar de boerderij van een tante slepen, daar mag ze voorlopig blijven staan. Ik zal een zeiltje over haar heen draperen en wachten totdat ik weet wat ik met haar wil gaan doen. Misschien schrijf ik wel een hulpbrief naar Peugeot, of ze haar willen reanimeren. Misschien gaan mijn moeder en ik haar wel begraven in het bos. Dan kleden we ons in zwarte kleren en filmen we de begrafenis, zodat mijn peugeotje eindelijk en voor eeuwig zelf als kunst blijft bestaan.



Verschenen in hART #45, december 2008








Lees meer >>

COLUMN hART XVII: IN CONCLAAF

    Onlangs was ik aanwezig bij een bijeenkomst met alleen maar kunstenaars. Het zou een vergadering zijn voor de opzet van een tentoonstellings-project, een metakunstwerk als het ware, dat plaatsvindt in Antwerpen, maar van een vergadering in de normale zin van het woord was geen sprake. Kunstenaars zijn onmogelijke mensen om mee te vergaderen, want een verzameling kunstenaars is een klas ongehoorzame kinderen. Het instellen van een absolute autoriteit, die de vergadering zou hebben kunnen leiden, zou niets hebben uitgemaakt. De strengste schooljuf kan geen orde houden als een dergelijke groep, bestaande uit in dit geval zo’n vijfentwintig kunstenaars, de koppen bij elkaar wil steken.

    De dynamiek van de vergadering was heel interessant. De genodigden waren afwachtend, omdat het niet voor iedereen duidelijk was waar de vergadering nu juist over zou gaan. Ook al het feit, dat deze bijeenkomst een vergadering was, maakte veel aanwezigen op zijn minst onwennig, want kunstenaars zijn niet gewend te vergaderen en zeker niet met elkaar. Een bespreking met een curator of een galerist, dat is tot daar aan toe. Vergaderen met collega’s, dat is andere koek.

Natuurlijk arriveerde een deel van de kunstenaars veel later dan de bedoeling was, waardoor het meest informatieve gedeelte pas anderhalf uur na de afgesproken tijd kon aanvangen. Ondertussen vulde iedereen de tijd tot het daadwerkelijke begin van de vergadering in door allerlei katten uit bomen te kijken. De meeste kunstenaars kenden elkaar al, dus werd er onderling wat non-informatie uitgewisseld: wat ben je aan het doen, heb je nieuwe schoenen, wat een mooie ruimte en dat soort normaal sociaal gedrag.

    Met wat moeite werd de vergadering geopend, waarbij de bedoeling van de bijeenkomst en het daaraangekoppelde plan werd uitgelegd. Bij dit gedeelte was iedereen uit eigen bestwil nog oplettend, maar nog voordat er allerlei praktische zaken – niet onbelangrijke zaken ook: de datum van de opening en de opbouwtijd – konden worden voorgelegd, begonnen hier en daar al groepjes onderling te mompelen, waarna binnen een minuut de kluit kunstenaars in diverse chaotische en voornamelijk inhoudelijke discussies uitbrak. De houdingen van de kunstenaars liepen uiteen van een ‘het zal allemaal wel, ik denk er het mijne van’-attitude tot dwarsliggen, moeilijke vragen stellen en ongerelateerde opmerkingen maken. De vergadering werd daarbij ook nog opgeluisterd door min of meer  willekeurig geroepen meningen van een wat oudere kunstenaar, waardoor de indruk werd gewekt dat deze een vijs los had. Er is me later verzekerd dat dit niet altijd het geval is. Op een ander moment was deze kunstenaar samen met een collega een resonerend stofzuigergeluid aan het maken, bij wijze van stoorzender en dat maakte de bijeenkomst tot een setting, die zomaar in een film van Almodóvar zou kunnen passen. Ik weet dat er mensen zijn, die nogal dol zijn op dat soort films, maar ik heb een bloedhekel aan het werk van Almodóvar.

    Een aantal hoogtepunten van de vergadering draaiden om het eventueel doorzagen van andermans werk (alleen als degene die per sé een werk zou willen doorzagen het desbetreffende werk eerst koopt, was de uitkomst), een groepsfoto maken van de aanwezige kunstenaars voor de uitnodiging, de kwestie of de tentoonstelling überhaupt een tentoonstelling zal worden of als een performance geidealiseerd moest worden, het vastleggen van de datum van de opening – waarbij er twee mogelijkheden waren, waar niemand goed uit leek te komen; de groep leek in eerste instantie een voorkeur te hebben voor de ene datum, maar in tweede instantie neigde de groep naar de andere datum – en de uiteindelijke vraag wie van de aanwezigen er definitief mee gingen doen.

    Niemand stak een hand op. De vraag werd hergeformuleerd: wie doet er zeker níet mee? Weer stak niemand zijn hand op. Waarna ongemerkt de vergadering veranderde in een feestje.



Verschenen in hART #44, december 2008

Lees meer >>

COLUMN hART XVI: MISLUKT

Er staan een heleboel aanzetten voor columns in deze computer in een mapje, dat ‘hlvclmnshrt’ heet. Ze gaan allemaal over de één of andere gedachte in verband met kunst of het kunstenaarsschap. Er is een bijna afgeronde column over het doctoreren in de kunsten bij, een andere gaat over kunst en wetenschap. Er is er één, die over grottekeningen wil gaan maar het opeens over de afstanden tussen hemellichamen heeft. Er zit er één bij over empirische data in verband met kunstenaars, één over sex in de kunst, die kan heel interessant worden overigens, en er is er één, die ‘Lui en dom’ heet.

Allemaal kunstgerelateerde en relevante onderwerpen, maar soms heeft de kunstenaar geen zin om daar mee bezig te zijn en schaft de kunstenaar zich liever een nieuw leren jasje, een plaat van The Sonics en een fles wijn aan, om bij thuiskomst met het leren jasje aan en de fles wijn open hard rond te gaan springen op de versgekochte plaat, zoals deze kunstenaar juist heeft gedaan.

Dit soort momenten komen voornamelijk voor als er iets mislukt en dat is precies wat er aan de hand is. Er is dit keer geen sprake van noemenswaardig liefdesverdriet of het onverwacht overlijden van een dierbare, het is iets anders: er is een tekening mislukt. Dat klinkt u misschien niet zo dramatisch in de oren, maar de zaak verandert danig als ik u meedeel dat deze tekening 3,5 meter breed was en 2,4 meter hoog, al maanden aan de muur van het atelier half-af hing te wezen, het atelier ook als schrijfkamer en living fungeert, waardoor deze kunstenaar niet de deur uit kon zonder de tekening aan de muur te zien hangen en de desbetreffende tekening bij voorbaat al verkocht was. Voor het equivalent van minstens twee maanden levensonderhoud e.d., ofwel zo’n 22 nieuwe leren jasjes, 138 Sonics platen of 417 flessen wijn,

De mislukte tekening is van de muur gehaald en de muur is nu akelig wit, op een nieuw, kleiner vel papier na, waarop deze kunstenaar paniekerig een nieuwe tekening is begonnen in een poging de blamage te verdoezelen. De blamage staat nu opgerold in de hal.

Wat ging er mis? Het gebeurt wel eens, dat een werk niet helemaal wordt wat het zijn moet, of dat er een verkeerde beslissing gemaakt wordt, waardoor het werk meteen de vuilbak in kan, maar hoopvolle ‘damage-control’ kan soms nog wonderen doen. In dit geval was de tekening zo goed als af, er moest alleen nog wat uitgebalanceerd worden, al zat deze kunstenaar stiekem al met het onderste deel van het werk in de zeurende maag. Bij het uitwerken van de details is het begonnen: er moest meer, dat bleek te veel, waarna er minder zou moeten, wat resulteerde in het afsnijden van het onderste deel. Desperate times take desperate measures – maar natuurlijk liepen de verhoudingen daarna volledig scheef. Hoewel er nog wat aan werd gesleuteld, beter werd het niet en dit was gewoon niet goed genoeg.

Deze kunstenaar vraagt zich af wat Luc Tuymans in zo’n geval zou doen? Luc Tuymans schijnt nu niet direct het type te zijn om op zo’n moment in huilen uit te barsten en dat hielp deze kunstenaar een beetje om zichzelf te beheersen, want de tranen begonnen te komen. Toch zijn er verhalen van volwassen kerels, die ook wel eens hadden staan bleiten voor een mislukt werk en daardoor mag deze kunstenaar toch een beetje wenen, van boosheid op zichzelf, maar vooral van een onstuitbare tijdelijke twijfel, die binnen enkele seconden van één enkele tekening wordt doorgetrokken naar het bestaansrecht van de gehele mensheid.

Mocht u het werk ooit onder ogen hebben gekregen, dan zou u misschien zeggen dat het ermee door kon, maar deze kunstenaar verschilt daarin met u van mening en zodoende is dit een werk, dat eventueel na de dood van deze kunstenaar kan opduiken en dan op een veiling een duizelingwekkende hoeveelheid leren jasjes, Sonics platen en flessen wijn mag opbrengen. En ontelbare maagdelijke rollen papier, niet te vergeten.

november 2008
Lees meer >>

COLUMN ART XV: Human Resource Assessment

Omdat tegenwoordig, in navolging van Nederland, ook in België de kunstenaar zich volgens de overheid als een cultureel ondernemer zal moeten gaan gedragen, zal ik wat tips geven, die kunnen helpen om deze transitie voor de kunstenaar gemakkelijker kunnen maken. Ik ken dat Nederlandse systeem enigszins.

Alle openingen, etentjes, koffietjes en feestjes, waarbij één of meerdere collegae aanwezig zijn, heten vanaf nu ‘netwerkbijeenkomsten’ en zijn dus voorbeelden van uw actieve culturele onderneming. Als u in een jolige bui uw website doorgeeft aan een dronken curator of op straat uit uw achterzak een fotootje verliest van uw laatste werk, dan mag u dat ‘aquisitie’ noemen. Als u uw werk in het raam aan de straatkant zet of in een tentoonstelling extra laat opvallen door er tien bouwlampen op te richten, heet dat ‘exposure’. Uw werk is nu uw produktie en u zou desgevraagd precies moeten kunnen vertellen waar deze uit bestond. U mag alles aanvoeren, ook post-its waarop u kriebelde tijdens een telefoongesprek, maar dit zijn geen kriebels, dit zijn ontwerpschetsen. Een voorbeeld van de produktie van een cultureel ondernemer gedurende een bepaalde periode kan zijn: 145 volgetekende post-its, 7 achterkanten van Electrabelfacturen, 76 bierviltjes, 23 rondslingerende A4tjes, 12 testen voor een animatie, 26 beelden, waarvan er nog maar drie bestaan want die zijn opgebouwd uit de klei van de rest, 14 tekeningen van 30x40 cm, 10 tekeningen van 60x80, drie videoinstallaties, die nu alweer zijn afgebroken omdat ze alleen tijdens tentoonstellingen te zien waren, en 319 snapshots van situaties, die u anders zou vergeten en misschien ooit heel belangrijk kunnen zijn.

Als u door de stad drentelt omdat u naar de FNAC moest om daar een kabeltje te halen, maar de post-it waarop u het type kabeltje had geschreven onleesbaar blijkt te zijn geworden door de hoeveelheid ontwerpschetsen die u daaromtrent erop had gekriebeld en u dus onverrichterzake huiswaarts moet keren, maar onderweg naar de uitgang verdwaalt op de boekenafdeling en daar verstrooid door een kunstboek bladert, dan doet u aan ‘research’. Als u naar een tentoonstelling gaat, bent u de concurrentie aan het uitchecken. Gaat u op atelierbezoek bij een bevriende medekunstenaar, dan doet u aan bedrijfsspionage. De oom, die u helpt bij het invullen van de belastingpapieren is per direct gepromoveerd tot uw accountant. Wanneer u zonder caffeïne en/of nicotine niet functioneert, zijn zowel al uw koffies als uw tabak belastingaftrekbaar, vergeet dat niet.

Omdat u in een database vol kunstenaars staat vanwege uw statuut, uw lidmaatschap van een vakbond of een verkregen beurs, verschijnt in uw mailbox regelmatig een aanbod met cursussen die u kunt volgen om een brave cultureel ondernemer te worden, zoals ‘Netwerken’, ‘Exposeren in een galerie’ of ‘Positionering’.

Alles wat hierboven staat moet bijdragen aan het ‘professionaliseren’ van uw kunstpraktijk. De beleidsmakers hebben besloten, dat kunstenaars, bij gebrek aan een betere omschrijving, bij de ondernemers horen. Als autonoom kunstenaar bent u dan ook doorgaans geen werknemer, maar doet u gewoon uw ding. En terecht, want u doet uw ding niet zoals dat twintig jaar geleden werd gedaan, u doet uw ding in uw tijdsgeest want u kunt niet anders en dus was u al een cultureel ondernemer op uw eigen voorwaarden, lang voordat de overheid de term had bedacht en de voorwaarden wilde gaan stellen.

Gelukkig hebben de meeste kunstenaars zo min mogelijk met de overheid te maken en bent u autonoom genoeg om u doorgaans niets van uw nieuwe status te hoeven aantrekken. U zult alleen zo nu en dan een lichte rilling voelen, die tegen uw ruggengraat opkruipt. U zult het gevoel in eerste instantie niet herkennen, maar na een tijdje weet u wat het is: het vage besef dat ergens ver boven uw hoofd met woorden geschoven wordt totdat uw kunstenaar-zijn - en al de lucht die daaromheen zit - in een kartonnen doos, volgestoken met wollige termen en holle bepalingen, past.

oktober 2008
Lees meer >>

COLUMN ART XIV: FaceSpace

Ooit schreven we brieven. Toen werd Bell geboren en even later was er email, sms, msn, Skype, blogs, Myspace, Facebook en watallemaalnog. Omdat kunstenaars in alles neigen te infiltreren, zit zowat iedere kunstenaar op minstens één virtuele vriendschapssite.

Bij mij ging dat zo: mijn broertje drumt in een doom-metal-band en omdat hun verse Myspacebandpagina zoveel mogelijk vrienden moest verzamelen, dwong hij mij tot het lidmaatschap van deze site. Het duurde enige tijd voordat ik de mogelijkheden ervan begon in te zien, voornamelijk omdat er steeds meer fysieke vrienden en vage bekenden op verschenen. Een Myspace bestaat uit een profielpagina, die met een piepkleinbeetje kennis van html gepersonaliseerd kan worden. Voor muzikanten, schrijvers en beeldmakers is het een bruikbaar medium om het eigen werk naar buiten te slingeren. Een Myspaceruimte is snel te updaten en al je ‘vrienden’ zijn onmiddellijk op de hoogte van elkaars activiteiten.

Iedereen kan een Myspace nemen: uw buurman, al dan niet overleden schrijvers, acteurs, muzikanten en regisseurs, stripboekhelden, pornosterren, Han Solo, R2D2 en zelfs dieren (zoals Vilhelm, de musicerende schildpad van de Zweedse kunstenaar Lisa Jeannin: een aanrader als u nog een vriend zoekt!). Je bent wie je vrienden zijn op Myspace of beter gezegd: je bent je profiel. De Myspacer kan een imago bouwen, een gepimpt beeld van zichzelf. De gebruiker laat alleen zien, dat hij wìl laten zien. Dat heeft tot gevolg dat Myspace is veranderd van een netwerkplaats voor gelijkgestemde creatieve professionelen in een ordinaire datingsite met op-het-randje-kantjes.

17-Jarige meisjes poseren in bikini en storten hun meest banale avonturen op het net. Puberjongens zoeken de stoerste foto’s uit die ze kunnen vinden, waarbij ze omringd worden door 17-jarige meisjes in bikini, terwijl ze mysterieus proberen de camera in te kijken. Deze profielen, waarin de makers hun hoogst individuele persoonlijkheid proberen op zijn glansrijkst te etaleren, zijn bedolven onder nietszeggende commentaren in sms-taal, campfilmpjes van Youtube en halfslachtige citaten als "Well-behaved women rarely make history" (10.300 keer gebruikt op Myspace door met name pubermeisjes). Allemaal onder het motto: Kijk mij eens een leuk leven hebben!

Sinds een aantal maanden is dan ook een groot deel van mijn Myspacevrienden stilletjesaan overgestapt naar een andere virtuele vriendschapsplaats: Facebook. Facebook’s profielpagina is voor iedereen hetzelfde en dus zijn de profielen minder manipuleerbaar. Aan de andere kant wordt elke Facebookvriend constant gebombardeerd met onzinspelletjes, flauwekulquizzen en virtuele plantjesaanbiedingen waarmee regenwouden worden gered.

Virtuele netwerken zijn interessant omdat ze een sociale dynamiek blootleggen, die voor de leden zelf heel vanzelfsprekend is, maar voor buitenstaanders doorgaans onzichtbaar blijft. Zo blijken kunstenaars voornamelijk kunstenaarsvrienden te hebben, dezelfde op het visuelere Myspace als op het lolbroekerige Facebook: werk en persoonlijkheid zitten voor kunstenaars aan elkaar vast. Dat is voor kunstenaars vrij logisch, maar voor hele bevolkingsgroepen geldt dit veel minder. Op een algemener vlak kan het voor een potentiële nieuwe virtuele vriend – een buitenstaander zonder gemeenschappelijke vrienden – moeilijk zijn om toegang te krijgen tot een specifiek netwerk, want je wordt beoordeeld op jouw eigen netwerk. Dat is een sociaal-psychologisch mechanisme: je bent één van ‘ons’, of je bent het niet. Wat dat betreft blijven volwassenen toch altijd puberkinderen. Misschien dat daarom kunstenaars zo graag met netwerken spelen.

Wat juist het nut is van virtuele netwerken voor de kunstenaar per sé is niet duidelijk. Op sommige openingen of feestjes bestaat een groot deel van het publiek uit Facebook of Myspacevrienden, die er zonder die sites ook wel zouden zijn. Wel straf is het als tot dan toe alleen nog maar virtuele vrienden zich bij zo’n gelegenheid in levende lijven manifesteren. Dat is het beste aan bitjesvrienden: soms zijn ze helemaal echt.

september 2008
Lees meer >>