PROLOOG MASTER-SCRIPTIE SANDBERG INSTITUUT, AMSTERDAM


2001
PROLOOG

Eh, context. Dat is belangrijk, een context. Het geeft niet dat het werk dat iemand maakt tijdsgebonden is, dat gebeurt al snel door het gebruik van tijdschriftafbeeldingen, want dat is een vormgeving van de tijd. Als die context wegvalt, zoals wild-geschilderde Cobra–klonen, die nu zo goed in de markt liggen, blijft er niets over. Tenslotte werden de echte Cobra schilderijen in de context van de jaren ’50, de wederopbouw, het besef dat de maatschappij niet meer kon terugkeren naar de vooroorlogse orde, gemaakt. Dat geeft een meerwaarde, de context, het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd. Ik heb ronduit een hekel aan de Cobra-beweging maar dat heeft meer te maken met smaak (smaak is ook tijdsgebonden), maar ik heb nog meer een hekel aan werk dat totaal uit zijn verband is gerukt. Ik haat dat, bah.

De context van het verhaal dat ik heb geschreven bestaat uit verschillende lagen. Als eerste is er natuurlijk het feit dat er een afstudeerscriptie moet worden geschreven voor het Sandberg instituut, dus datgene wat ik schrijf zal op de een of andere manier in verband moeten staan met mijn werk als kunstenaar. Dan is er mijn interesse in wetenschap, en vooral, zoals de titel van een boek dat ik zopas leende van de bibliotheek, de ‘science in science fiction’. De gevolgen van natuurrampen, klimatologie, archeologie en astronomie. Dat soort dingen.
Verder schrijf ik ‘vanzelf’ al veel en kan de scriptie worden geïnterpreteerd als een test, een proef voor ooit misschien een echte roman.

En als laatste is er Tijd.

In veel dingen die ik schrijf, korte verhalen, flarden zinnen, notities en met name ook mijn eerdere afstudeerscriptie voor de academie van Den Bosch (1998) zit een ruis. Een achtergrondruis, een echo van de oerknal, die me dwingt alles te relativeren. Vanaf de eerste tik van de klok ben ik de enige die stilstaat en, zoals in de romantiek de grootsheid van de wereld niet groots genoeg kon zijn, besef ik, dat ik geen grip heb op de wereld, het heelal, alles.

Door de enorme toevoer van informatie, die in ‘ons’ deel van de tijd de westerse mens voor zijn kiezen krijgt, schemeren mogelijkheden om te ontsnappen aan een gevoel van al te veel zinloosheid, Tot op zekere hoogte kunnen we van ons eigen leven ons privé heelal maken, waarin we begrijpen wat er gebeurt en waarin wij het middelpunt zijn. Veel mensen doen dat door het ‘huisje boompje beestje’ principe toe te passen, vaak met redelijk succes, tenslotte is het een vorm van zelfbeschikking om te kunnen kiezen of je het karmijnrode of azuurblauwe bloesje zult kopen als je twijfelend tussen de kledingrekken van H&M staat, maar of 1 van de 2 bloesjes je leven drastisch een andere wending kan geven is nog maar de vraag.

Anderen, eh, ik bedoel natuurlijk in de context van deze inleiding kunstenaars, maken letterlijk hun eigen universum. Op het ogenblik is het maken van een eigen wereld heel belangrijk bij veel kunstenaars. Sandberg-voorbeelden zijn bijvoorbeeld heel duidelijk Dr. Broadcast, die alleen al door zijn naam een andere persoon wordt dan ‘in het echt’, Rogier Walrecht, wiens wereld bestaat uit een mengeling van banaliteiten en religie, en het werk van enkele jaren geleden van Dylan Graham waarin hij zichzelf als een Mickey Mouse in een decorwereld zette, al is dit werk volgens mij eerder een commentaar op de werkelijkheid.

Ikzelf besta in een wereld vol natuurwetten die zelf weer voor een groot deel slechts uit theorieën bestaat. Over theorieën weet ik een heleboel. Dankzij de theorieën uit de quantum-mechanica kunnen er verschillende dimensies naast elkaar bestaan en elkaar overlappen. Dankzij Einsteins E=MC2 kan tijd zelf als een niet constante natuurverschijnsel worden gezien, onderhevig aan snelheid en massa. En in theorie kan er een nieuwe ijstijd ontstaan in een tijdsbestek van amper 200 jaar.
De grootste drijfveer voor mij, om dingen te maken, vast te leggen, te schrijven is denk ik heimwee. Ik heb soms last van de onverklaarbare en volkomen irrationele gedachte dat ik naar huis wil, ook al zit ik op mijn bank voor de t.v. in mijn huis, of ben ik bij mijn ouders in de tuin een glas cola aan het drinken. Het blijft een vreemd verschijnsel, maar behalve dat ik er zo nu en dan een groot gevoel van onrust aan overhoud, heb ik er verder geen problemen mee. Mocht ik er ernstig mee zitten, dan haast ik mij naar bijvoorbeeld H&M om te kunnen twijfelen tussen het karmijnrode of azuurblauwe bloesje.
Karin Daan, die mij zowel op de academie als op het Sandberg (gast)doceerde, omschreef de achtergrondruis van mijn werk als ‘opgewekte eenzaamheid’, opgewekt in de zin van, nou ja, vrolijk. Ik vond dat een mooie en goed gekozen benoeming omdat ik in mijn gemaakte wereld vaak bijna alleen ben maar daar helemaal geen problemen mee heb. In de echte wereld ben ik bijna nooit alleen, zowel in fysieke als psychologische zin, maar ik geloof wel dat eenzaamheid in iedereen zit. Een gezonde dosis eenzaam zijn is zo slecht nog niet, denk ik. Eenzaamheid relativeert.

Waarnaar heimwee ik?

Het is moeilijk er de vinger op te leggen en dat is ook niet nodig. Als ik werk zou maken dat over een bepaald aspect van mijn heimwee zou gaan, bijvoorbeeld heimwee naar toen ik 4 jaar was, zou ik een thema hebben waar ik nog jaren mee vooruit zou kunnen. Ik zou souvenirs kunnen verzamelen uit mijn kinderjaren en die kunnen verwerken in, eigenlijk in wat dan ook. Maar duidelijke thema’s in de kunst staan me tegen, ze zijn zo ... klein. Ook al neem je als ‘fascinatie’ (wat opvalt aan mensen die onder andere van de Rietveld academie afkomen is dat zij altijd wel een handige uitleg hebben over hun werk door te verklaren dat het betreffende onderwerp een ‘persoonlijke fascinatie’ is) de geboorte en dood van het heelal en alles wat zich binnen dat gebied bevindt, het blijft klein. Van mij mag het onbenoembaar zijn, de ruis sijpelt er wel doorheen, dat is beter dan dat het er van af druipt. 
In een tekst uit het boek ‘On longings’ van Susan Steward, die Tineke Reynders me stuurde, wordt beschreven 
hoe een voorwerp de identiteit van een plek kan aannemen in de vorm van een souvenir. Een voorwerp kan 
natuurlijk ook de ‘identiteit’ aannemen van een tijd. In mijn scriptie is de hoofdpersoon (ik) de enige die een 
zekere echo van een vergane tijd vertegenwoordigt in een wereld die helemaal ondersteboven is gesmeten en 
ben ‘ik’ in zekere zin het souvenir, zoals ook hele oude mensen een bezienswaardigheid zijn door een souvenir 
te zijn van hun tijd en in feite door de jaren heen steeds meer uit hun oorspronkelijke context zijn geplaatst.
   


Ter zake nu: want vandaag is het 4 september 2000 en de wereld is niet wat ze geweest is.



Alexandra Crouwers
Den Bosch, 15 februari 2001


Lees meer >>

COLUMN hART #52 Hoe?

Ik vraag me wel eens af of kunstenaar een aangeboren afwijking is. In retrospectieve buien probeer ik me te herinneren hoe het nu zo gekomen is dat ik hier zit, aan mijn tafel met daarop mijn dichtslibbende computer, een hoofd vol werk dat nog moet komen, papier tegen de muren, flessen indische inkt, al dan niet verdroogde kwasten, een ladekast en een opslagkamer vol tekeningen, diaprojectoren, dozen met documentatie van wat is geweest en materiaal voor installaties. Ik heb niet eens een echte woonkamer, want dat is mijn atelier. In de kelder staat een stapel prints van zes, zeven jaar geleden, die vermoedelijk alleen nog het daglicht zien als ik eens zou verhuizen. Een kunstenaar sleept wat mee.

Toen ik klein was, heel klein, begon ik te tekenen. Mijn moeder heeft een aantal van die tekeningen door de jaren heen in dertien plakboeken gestoken. Ik tekende een periode lang veel paarden. Er is ook een tekening bij van een straat in een stad met punkers er op. Deze is gemaakt nadat ik in die stad had gezien hoe de militaire politie een kraakpand wilde ontruimen. Dat maakte blijkbaar veel indruk. Mijn zusje tekende ook. Een paar jaar geleden bleek dat we vroeger lichtelijk jaloers op elkaar waren. Mijn zusje op mij omdat ik elk familiefeest complimenten kreeg voor mijn tekeningen, die er technisch beter uit kwamen dan de hare, en ik op haar omdat haar tekeningen oneindig leuker waren. Haar tekeningen zitten ook in plakboeken en ik kan er nog steeds vreselijk om lachen. Die van mij waren nogal braaf.

Ik keek graag in atlassen. Dan tekende ik eilanden, die niet bestonden. Ik trok er een net van lijnen over, net als op een landkaart en daarna vergrootte ik telkens een gebied uit, totdat alleen het dak van een huis te zien was. Ooit maakte ik een reisbrochure voor een verzonnen eiland, met portretten van de koninklijke familie, een serie postzegels en vergezichten met hoge bergen. Een paar eilanden tekende ik telkens opnieuw, de ene keer met hoogtelijnen, de andere keer met klimaatzones of met de mate van verstedelijking. Soms teken ik gedachteloos nog steeds eilanden, meestal terwijl ik een film kijk.

Als ik het bos in ging stelde ik me een klein, blauw vrachtwagentje voor dat een stukje voor mijn voeten over het zandpaadje reed. Het moest wel een vrachtwagentje zijn, want een gewone auto zou nooit over alle hindernissen en door alle kuilen kunnen. In konijnenholen huisden de bewoners.

Toen ik iets ouder was, een jaar of elf denk ik, begon ik platenhoezen te tekenen voor bands en zangers die ik verzon, met titels in Engels vol spelfouten waardoor die nu onbedoeld komisch zijn. De kapsels van de artiesten lijken nogal uit de hand gelopen, maar we zaten natuurlijk in de jaren ’80 dus ik zal het wel realistisch bedoeld hebben. Haren zijn fijn om te tekenen omdat ze glanzen.

Wat mij brengt op mijn verzameling glimmende snoeppapiertjes, die bijvoorbeeld om chocolade-Sinterklazen en paaseitjes zitten. Ik probeerde ze niet te scheuren terwijl ik ze er voorzichtig van af peuterde en streek ze zo glad mogelijk om ze daarna in een schoenendoos te steken. Zo nu en dan haalde ik ze er uit en bekeek ze in het zonlicht. Er zaten ook gekleurde doorzichtige papiertjes bij, die ik voor mijn ogen hield als ik de tuin in wandelde. Door de kreukels was het zicht niet overal even scherp.

Ik heb geen idee waarom ik dat deed. Bij toeval kwam ik er onlangs achter dat Nadia Naveau als kind ook zilverpapiertjes zorgvuldig gladstreek. Eigenlijk verbaasde het me niets, want haar fantastische beelden zijn vaak overgoten met hoogglansglazuur. Volgens mij heeft dat er iets mee te maken. In mijn werk is licht en tegenlicht vrij belangrijk. Het zou best kunnen dat dat iets met die snoeppapiertjes van doen heeft. Maar het is net zo mogelijk dat het er allemaal helemaal niets toe doet.

verschenen in hART #52, mei 2009
Lees meer >>

COLUMN hART#51: GRAPEVINE

Als je pakweg veertien jaar oud bent denk je dat volwassenen alles op een rijtje hebben en dat tegen die tijd de redelijkheid zegeviert. Maar als je plotseling bijna vijfendertig bent blijkt ‘volwassen’-zijn een laagje hoogglansglazuur. Er is niets veranderd, we zitten in feite nog altijd in de gonzende aula van een middelbare school tijdens de middagpauze.

Mensen kunnen zèggen wat ze willen. Praten is niet altijd een betrouwbare informatieoverdracht, vooral niet als het achter mensen hun rug om gaat. Ik geloof niet in roddelen, ook al ontkomt niemand er aan en dus ook ik niet. Het zou hypocrisie van het hoogste niveau zijn als ik dat zou ontkennen. Het sociaal systeem zal roddelen wel niet voor niets hebben ingevoerd, dus het zal zijn nut wel hebben maar ik ben er toch nooit zo heel erg goed in geworden. Als iemand iets beweert over een ander en ik daar om een goede reden meer over wil weten, dan vraag ik het wel aan de desbetreffende persoon. Interessanter is wat mensen dóen en hóe ze doen, want dat is moeilijker onder controle te houden dan gebabbel.

Het is altijd een wat verontrustende gedachte dat je niet alleen als fysieke aanwezigheid bestaat - een omgeving waarop je nog wat invloed kunt uitoefenen - maar ook een ijle, rondzwevende entiteit bent, die tussen andermens gedachtes godweetwat voor activiteiten ontplooit.

In de meeste gevallen doet het er helemaal niet toe wat mensen van je denken, maar soms kan het schrikbarend confronterend zijn. Inmiddels weet ik wel dat ik een irritant, koppig, onhandig, dwars, uit de hoogte, betweterig, vaag en uitsloverig wicht kan zijn, voornamelijk voor mensen waarmee ik nog nauwelijks drie woorden heb gewisseld. Dat hoort bij intermenselijke relaties. Misschien vind ik u wel onbeleefd, gemeen en een emotioneel wrak, terwijl ik u alleen maar bij toeval eens kort sprak op de opening van uw tentoonstelling. Uw werk vond ik interessant, maar uw persoon bleef daar ernstig bij achter. Later hoorde ik dat u te veel drinkt, u uw wagen ooit tussen de tuinkabouters in de voortuin van uw buurman parkeerde en bovendien uw ex-vriendin sloeg. Als u een vrouw bent, dan bent u zwanger van een onbekende, want men heeft u op verschillende gelegenheden met verschillende mannen stiekem zien verdwijnen. Sommigen waren zelfs getrouwd, schijnt… Ziet u, ook over u wordt gepraat. Een mens zou er nog lichtelijk paranoïa van raken als er geen belangrijkere dingen te doen waren.

Bij gebrek aan collega’s in de directe werkomgeving van de kunstenaar zijn de wandelgangen van het kantoor verplaatst naar café’s, openingen of de hele stad. De kunstclan heeft het onderling heus niet alleen over verheven intellectuele onderwerpen, hoor. De kunstclub vraagt zich soms ook wel eens af of A. die beurs eigenlijk wel verdiende, waarom B.’s werk steeds slechter lijkt te worden en of C. nog ooit terug samen komt met D..

Ontsnapping is onmogelijk tenzij ik zou verhuizen naar een hutje op de hei, waar ik vrienden word met de hertjes in het bos en eens per jaar mijn neus zal laten zien op de lokale braderie, waarbij ik mijn produktie van mos-schilderijen zal tonen in een slordig getimmerde stand, terwijl de dorpsbakker mij heimelijke blikken toe zal werpen en zich afvraagt wanneer het een goed moment is om mij ten huwelijk te vragen. Volgens de traditie van de misdaadseries zal er dan iemand vermoord worden en word ik vermoedelijk als eerste verdacht, want ik werd natuurlijk op een onchristelijk uur door het moeras wandelend gesignaleerd, vlakbij de plaats waar het slachtoffer – een onbekende in het dorp, het blijkt een curator te zijn – gevonden werd. Daarbij wordt er gefluisterd dat ik konijntjes zou offeren aan een wrede god en ik naar de hei zou zijn gevlucht omdat ik ooit internationale faam had gemaakt met werk dat ik had gekopieerd van een andere kunstenaar, die daarna een prijs op mijn hoofd had gezet. Althans, zo gaan de geruchten.
Lees meer >>

COLUMN hART #50: OVER TEKENEN

Er is een tijdje geleden een prachtboek uitgekomen, dat ‘Cave Art’ heet en waarin de beste reprodukties staan, die ik tot nu toe heb gezien van prehistorische grottekeningen en –reliëfs. Het is mijn favoriete zo-nu-en-dan-in-te-kijken boek naast ‘Full Moon’, waarin een selectie van foto’s van NASA missies naar de Maan, ‘From Lucy to Language’, dat voor het grootste deel bestaat uit afbeeldingen op ware grootte van schedels en botjes van de vroegste mensensoorten tot de homo sapiens – er staat ook een gorillaschedel in, het is altijd even schrikken als ik daar langs blader – en ‘The Perfect Medium: Photography and the Occult’, met documentatie van levitaties, scéances, ectoplasma en dat soort geweldige trucagefotografie uit het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw.

Er gaan allerlei theoriën de ronde over het hoe en waarom van de prehistorische tekeningen en of het nu vanwege het eventueel tot leven willen blazen van kuddes bisons of uit educatieve overwegingen was dat de prehistorische mens zo enthousiast op schier onbereikbare plaatsen wilde gaan tekenen doet er niets aan af dat veel van die tekeningen ongelofelijk van kwaliteit zijn. In donkere, vochtige en koude omstandigheden zulke trefzekere lijnen zetten, dat moeten een stel kraks zijn geweest. Ik kan me dan ook wel voorstellen dat niet iedereen op de wanden mocht tekenen, want anders zouden er een heleboel misbaksels van beesten tussen staan en dat lijkt niet geval te zijn. Ik denk dat je dan ook mag concluderen dat goede tekenaars een hoge status hadden in een groep, want anders zouden ze zich wel nuttiger kunnen maken bij de jacht of zoiets dergelijks. Goede tekenaars werden misschien aldus wel vrijgesteld van arbeidsplicht. Wat een fijne gedachte! Ik vraag me af of vrouwen ook mochten tekenen. Het is moeilijk in te schatten in hoeverre de prehistorische mens al dan niet geëmancipeerd was.

Tekenen is een merkwaardig fenomeen. Je zet wat lijnen en hupsakee, daar staat ineens een mens, een boom, een heel leger. Niet iedereen kan even goed tekenen, dat wil zeggen naar het leven, maar iedereen tekent wel eens. Al is het vaak meer droedelen tijdens het telefoneren. Bijna alle kunstenaars tekenen. Sommigen moeten dat leren op een academie, maar later beginnen veel ideeën met een tekening, een schetsje. Dat kan later een beeld worden of een schilderij of een storyboard, maar volgens mij is tekenen de basis van alles, van het symbolisch denken en dus ook van taal.

Ik voel me altijd sterk verwant met de anonieme grottekenaars. Ik kan ook verschrikkelijk goed tekenen. Dat mag u een arrogante opmerking vinden, maar het is de absolute waarheid. Ik wil best een ‘draw-off’ met u aangaan daarover. Ik sta zelf wel eens verbijsterd te kijken naar mijn eigen lijnen. Ik begrijp het niet. Ik hoef er ook bijna niets voor te doen. Ik kon het ook al lang voordat ik naar de academie ging. Niet dat èlke lijn altijd perfect is – dat zou behoorlijk angstaanjagend zijn –, maar zelfs een minder geslaagde lijn kan precies goed terecht komen in een tekening.

Ik ben een levend bewijs dat tekenen niet per sé met oog-hand coördinatie te maken heeft. Mijn halve toetsenbord werkt niet meer goed omdat ik er met regelmaat per ongeluk koffie over gooi. Ik giet regelmatig water langs mijn mond in plaats van er in. Met messen en kaasschaven ben ik levensgevaarlijk en ik laat bijna iedere week wel een stuk servies vallen. Ik houd mijn kwasten, pennen en potloden vast als een kind van vijf. Bij de toelatingstest voor de academie moesten we een aantal voorwerpen natekenen, waarbij één van de tekenleraren een tijdje achter me stond te kijken wat er uit kwam en toen opmerkte: “Hoe kan iemand met zó’n motoriek nu zó strak tekenen?”. Ik wou dat ik het wist.






APRIL 1979 BY ALEXANDRA CROUWERS - THE PAINTINGSELLER
Lees meer >>

COLUMN hARt #49 Afvalrace (3)

K. kwam de laatste paar jaar de academie eigenlijk nauwelijks meer binnen. Hij had het druk met het verbouwen van zijn gekraakte huis, met het organiseren van illegale acidfeestjes, met alle drugs uitproberen die er bestond en met allerlei andere nachtelijke zaken. Desondanks was K., àls hij op de academie moest zijn en er móest iets gemaakt worden, het grootste talent dat er rond liep. Zijn materiaal- en kleurgevoel was ongelofelijk. Hij werkte voornamelijk met ready-mades. Hij schudde installaties uit zijn mouw alsof het aapjes waren. Hij suggereerde een hele woonkamer met een paar wasmanden – een bleekgele plastieken bak was de t.v..

Voor zijn eindexamen bouwde hij een hok van isolatiemateriaal en een klassieke garagedeur, waarin hij bevriende DJ’s liet draaien of bandjes liet spelen. Hij werd opgepikt door de directeur van een post-academie, waar we het jaar daarna allebei naartoe gingen. Of althans, ìk ging er naartoe. K. daagde steeds minder op. Bij het jaarlijkse evaluatiegesprek, waarbij we tegelijkertijd werden geïnterviewd, bleek K. geen zin meer te hebben in kunst maken. Op de vraag ‘waarom niet’, antwoordde hij dat hij het gewoon niet leuk meer vond. Alles wat hij deed scheen te werken maar hij begreep niet goed wat er nu zo bijzonder aan was. Hij vond het te gemakkelijk. Hij had besloten om even na te denken over wat hij nu eigenlijk wilde gaan doen. Het laatste dat ik van hem weet is dat hij decorbouwer is geworden. Ik vind het nog steeds eeuwig zonde.

Ook R. kwam zelden naar de academie, maar hij was wel constant daarbuiten bezig met allerlei aanverwante zaken: hij speelde in een bij vlagen briljante performance-band met Zappaïaanse invloeden, maakte fluks grote graffiti’s in opdracht, werkte mee aan experimentele filmpjes en stal de show op tentoonstellingen met inventieve half-uit-elkaar-vallende installaties. Daarbij had R. een groot komisch taalgevoel, dat hij graag in zijn schilderijen gebruikte en een geweldige tekenhand. Maar daar liet hij de academieleraren nooit iets van zien en dus hadden zij het idee dat R. maar zo’n beetje aan het rondluieren was. Ik vroeg ooit aan R. waarom hij al die dingen niet eens meenam naar de academie. R. staarde me verbijsterd aan; de leraren zijn toch niet geïnteresseerd in dat soort dingen? Het is toch geen èchte kunst?

Hij werd van de academie gestuurd, de leraren zagen het niet met hem zitten. R. was hier heel laconiek over, zoals over alles. Voor hem maakte het niets uit, hij voelde zichzelf altijd al wringen binnen het kunsthok en hij zou toch wel door gaan met wat hij aan het doen was. Dat bleek zo te zijn, maar ook nu nog is bijna alles wat hij doet onzichtbaar omdat zijn veel te bescheiden aard het doen misschien belangrijker vindt dan het tonen, al vond ik op youtube nog een filmpje waarin hij een auto met spuitbussen bewerkt.

W. hield een paar jaar na de post-academie op met werk proberen te maken, want ze werd moeder en liet zich daarna omscholen tot vroedvrouw. W. is altijd een praktisch meisje geweest. R. ging naar een post-academie voor fotografie maar wist toen al dat ze liever illustraties voor kinderboeken wilde maken. Zij werkt nu in een kledingwinkel en studeert voor psychotherapeute. V. kon door een gebrek aan financiële middelen zijn post-academie niet afmaken, maar omdat hij altijd al liever praatte dan tekende heeft hij zijn eigen tentoonstellingsruimte opgezet. Van V. vermoed ik dat hij nog eens museumdirecteur wordt. S. hoorde nooit echt thuis op de academie, daarvoor was ze veel te braaf. Zij is na een speciale opleiding medisch tekenaar geworden.

H.’s manier van werken was zo traag, dat hij onlangs besefte dat zijn motor na elf jaar uiteindelijk stil is gevallen. Tentoonstellen vond hij sowieso toch te veel gedoe. Hij heeft vorige week zijn atelier opgezegd.

Verschenen in hARt #49, maart 2009
Lees meer >>

COLUMN hART XX: AFVALRACE (2)

F. leerde ik kennen op de jonge, snelle en wilde post-academie waar ik op zat. Ze maakte altijd een gestresseerde indruk, maar ik mocht haar wel. Ze was grappig en mooi op een ongewone manier. Ze was wel eens benaderd om model te worden, maar ze had dan iets aan haar tanden moeten laten doen en dat wilde ze niet. Er was ook niets mis met haar tanden, ze waren alleen niet kaarsrecht.

    F. maakte foto’s en zo nu en dan een filmpje. Haar foto’s waren heel esthetisch, op het romantische af. Ze gebruikte ofwel een mistmachine ofwel weinig licht. Haar foto’s waren dan ook heel licht of heel donker. Ze fotografeerde een tijd lang alleen koppels, maar zelf kreeg ze geen fatsoenlijke relatie. Mannen wilden haar alleen maar omdat ze zo ongebruikelijk mooi was. Misschien schrokken ze daarna van haar zenuwachtige aard. Op de dag dat ik voor het eerst met F. sprak, bleek dat ze een gemeenschappelijke ex-vriend had met een vriendin van mij. Dat schepte meteen een band, want ik wist wat voor een streken deze gast al had uitgehaald. Daarbij, maar dat is een ander verhaal, waren zowel F. als ik vroeger gepest geweest en ook dat zorgt voor begrip van elkaars wezen.

    F. was extreem perfectionistisch. Dat moest ook wel, want haar foto’s waren zo etherisch, dat er geen enkele kink in de kabel mocht komen. Dat maakte tentoonstellen voor haar een hel, want er kon zo verschrikkelijk veel mis gaan. Het vaklaboratorium kon een belichtingsfoutje maken, bij het opkleven en lamineren kon er een stofje tussen komen, bij het inkaderen kon er een hoekje worden gemaakt, bij het vervoeren kon er een krasje gebotst worden. We hebben eens samen tentoongesteld en dat was meteen de eerste keer dat ik iemand met witte, stoffen handschoentjes werk heb zien ophangen.

    F.’s perfectionisme en aanleg tot nerveusiteit zorgden ervoor dat ze zichzelf constant onder druk zette. Een druk, die misschien ook werd veroorzaakt doordat deze post-academie op het standpunt stond dat het ijzer gesmeed moest worden als het nog heet was en iedereen tot topspeed ophitste om maar zo snel mogelijk hip & happening te worden. Dat is een manier van werken die niet iedereen ligt, ook mijzelf niet, maar daar ben ik later pas achter gekomen.

    Als F. dronken werd, vergat ze haar gestresseerde zelf en kon ze wilde dingen doen, waar ze soms later spijt van kreeg. F. had ook niet altijd zo’n goede neus wat mannen betreft. Toen ze eens op het punt stond om een tentoonstelling te krijgen bij een belangrijke galerie, is ze per ongeluk bij de assistent van de galerist in bed beland. Deze heeft daarna ervoor gezorgd dat de tentoonstelling niet doorging omdat hij bang was dat men zou denken dat hij voor een one-night-stand mooie vrouwelijke kunstenaars liet tentoonstellen. Daar maakte F. zichzelf natuurlijk heel boos over, terwijl ze zich vertwijfeld afvroeg waarom zoiets haar nu weer moest overkomen. Vooral omdat de man in kwestie haar zo leuk toescheen en ze iets meer had zien zitten dan alleen die ene nacht.

    Inmiddels begon de carrière van F.’s beste vrienden, een koppel dat harmonieus samenwerkte aan prachtige (video)installaties, stevig te draaien, terwijl F. alleen bleef en dan maar op zoek ging naar een ander onderwerp dan koppels om fotografisch werk mee te maken. Het werden abstracte, kleine collages. Heel bescheiden en met een theoretische basis want F. las graag en was zeker niet een dom meisje.

Omdat F. zich verplicht voelde om alle openingen en feestjes bij te wonen en tegelijkertijd integere kunst op topniveau wilde maken, in combinatie met haar eigen demonen en een niet te onderschatten gebrek aan een echte liefde, raakte F. spijtig genoeg langzamerhand overspannen, kreeg op een gegeven moment angstaanvallen en moest naar een psycholoog. Ik heb niet zo veel contact meer met F., ze woont niet in de buurt maar ik weet dat ze nu kunstgeschiedenis studeert en probeert te schrijven. Ik geloof niet dat ze nog foto’s maakt.


Verschenen in hARt #48, maart 2009

Lees meer >>